maandag 30 november 2009

voeding

De meeste mensen geloven dat er zoiets bestaat als gezond eten en veel mensen zeggen er dan bij dat ze dat niet doen. Met name groente en fruit hebben de reputatie gezond te zijn en dat hangt dan op de vitamines.
Vitamines
Vitamines zijn organische stoffen en dat betekent dat ze gemaakt zijn door iets levends, in de praktijk is dat vrijwel altijd een plant. Die stoffen zijn nodig in mensencellen en je kan die stoffen niet in je eigen lichaam maken, zodat je ze moet eten. Tot zover is het gewoon een kwestie van definities, maar wat zijn dat voor stoffen. En wat gebeurt er als je er te weinig van binnenkrijgt. Het gaat om een kleine twintig stoffen waarvan je kleine hoeveelheden nodig hebt. Ze zijn meestal ontdekt doordat er bepaalde gebreksziektes waren die verdwenen als iemand voedsel ging eten waar die vitamine inzat. Het verhaal van vitamine C is bekend: zeelieden tijdens lange scheepstochten kregen last van bloedingen (scheurbuik, heette dat) en dat ging over als ze weer aan land kwamen en fruit konden eten. Later bleek dezelfde stof ook in aardappelen en zuurkool te zitten, zodat de matrozen van de Engelse marine verplicht een keer per week zuurkool moesten eten (bleef lang goed aan boord). Na een tijdje ziektes onderzoeken waren er dus vitamines bekend die aangeduid werden met letters, soms met de letter B met een nummer (B 12, B 1 enz). Voor al deze vitamines werd bepaald hoeveel microgram je nodig hebt om gebreksziektes te vermijden en in welk voedingsmiddel ze zitten. Overigens zitten de meesten in zoiets platvloers als brood (ook wittebrood) of margarine, dus veel fruit eten is voor de meeste niet nodig.
Wat gebeurt er als je teveel vitamine eet (meer dan het minimum dat je nodig hebt)? Meestal gebeurt er niets, je plast het uit. Behalve, en dat is al lang bekend, bij vitamine A. Dat sla je op in je lever en die gaat daaraan kapot, soms zelfs met de dood als gevolg. Sinds een antal jaren krijgen zwangere vrouwen het klemmende advies om vitamine A te vermijden en bijvoorbeeld geen gebakken lever of paté te eten: veel vitamine A is niet goed voor embryo's.
Er wordt weleens een nieuwe vitamine ontdekt en dat zijn dan altijd stoffen waar voor die tijd geen gebreksziekte van bekend was, maar waarvan dan wordt gevonden dat er bij dieren met extreme diëten iets gebeurt. Daaraan hebben we vitamine E te danken. Ratten worden bij gebrek aan vitamine E onvruchtbaar. De stof zit in zoveel voedingsmiddelen dat mensen er nooit gebrek aan hebben en het misschien niet eens nodig hebben.
Dergelijk soort nieuwe stoffen vormen vaak het werkterrein van mensen met kwakzalver-achtige ideeën: moeheid zou dan veroorzaakt worden door gebrek aan vitamine E doordat mensen teveel bietsuiker eten of teveel witbrood of teveel bij McDonald's. Er is daar nooit een spoor van bewijs voor, het is meer een soort van gevoel. Er zijn ook mensen die beweren dat heel hoge doses van op zich ongevaarlijke vitamines (dus niet A) je extra gezond zouden maken of je weerstand zouden verhogen. Ook nooit bewezen, zelfs een aantal malen onderzocht zonder succes (vitamine C) maar zeer hardnekkig in het volksgeloof (bijvoorbeeld vitamine C en griep). Helaas is het volksgeloof zelfs niet helemaal gevaarloos, niet voor vitamine C, maar misschien wel voor andere. Zo is gebleken, bij ratten natuurlijk, dat hoge doses van vitamine E de ratten bepaald niet langer lieten leven. Integendeel. Er gingen er meer dood aan kanker dan in de controlegroep. Wellicht een reden om nooit erg te overdrijven met met vitamines verrijkt voedsel. Een speciale plaats wordt ingenomen door een van de B-vitamines die meestal wordt aangeduid met de stofnaam. Het is foliumzuur. Sinds een jaar of twintig is bekend dat gebrek een foliumzuur bij sommige mensen de kans op een kind met een open rug verhoogt. Vandaar speciale vitaminepillen met extra foliumzuur voor vrouwen die zwanger willen worden. Overigens maakt dat de kans op een kind met een open rug niet helemaal nul.
Al met al is er veel te doen over vitamines maar blijkt er bij beter onderzoek weinig aan de hand te zijn en is er vrijwel nooit reden om extra vitamines te nemen. Voornamelijk goed voor pillenhandelaren en wellicht zelfs ongezond in sommige gevallen.
Mineralen
Mineralen zijn geen vitamines maar je hebt ze wel nodig. Mineralen zijn namelijk niet-organisch. Ze zijn dus niet gemaakt maar komen voor in de grond, of niet. Planten halen ze er wel uit en dus komen we er vaak aan door planten te eten. Of door dierlijke producten te eten waarbij die dieren de mineralen voor ons verzameld hebben door veel planten te eten. Bij de mineralen horen een paar stoffen die goed onderzocht zijn en al lang bekend. Met name denk ik dan aan kalk, ijzer en jodium. Van alle drie komt gebrek voor met duidelijk herkenbare gebreksziektes (broze botten, bloedarmoede, struma). Toch is ook hier volgens sommige onderzoekers iets meer aan de hand: zo beweren een paar onderzoekers dat de zure urine die het gevolg is van het eten van veel dierlijk eiwit de belangrijkste oorzaak is van botontkalking en niet het gebrek aaan kalk in voedsel volgens de Nederlandse voedselnormen. Schokkend is in dit verband de samenhang tussen landen met veel melkconsumtie en met veel botontkalking. Juist in landen waar geen melk wordt gedronken (China, Thailand) komt nauwelijks botontkalking voor. Er is geen Nederlands schoolboek dat zoiets vermeldt en de schooldokter vraagt ook aan ouders of hun kotertjes wel genoeg melk drinken. Overigens zou een milde bloedarmoede een voordeel zijn als je echt oud wil worden.
Naast deze lang bekende mineralen, is er de laatste jaren ontdekt dat er heel wat elementen zijn waarvan je zo weinig nodig hebt dat er alleen in zeer bijzondere omstandigheden gebrek optreedt. Het gaat dan om elementen als koper, zink, seleen en molybdeen. Atomen daarvan blijken nodig om sommige enzymen te laten werken. Zinkgebrek bijvoorbeeld komt nooit voor in Europa omdat daar genoeg zink in de grond en dus in planten zit. De behoefte aan zink is ontdekt in het Andesgebergte waar geen zink in de grond zit en waar gebreksziektes voorkomen. Net als bij vitamines zijn ook mineralen erg populair bij genezers met onduidelijke achtergronden. Dus is in die kringen zinkgebrek een heel gebruikelijke diagnose, of het gebrek aan selenium, meestal ter verklaring van een kwaal als chronische vermoeidheid. Die dan nooit helemaal overgaat door een extra dosis zink of seleen.
Andere stoffen
Pasgeboren en ongeboren kinderen hebben wat speciale vetzuren nodig, die veel meer in mensenmelk zitten dan in koemelk Vandaar het gemeten voordeel op IQ-score van 8 punten voor 90% van de mensen bij mensenmelk i.p.v. bewerkte koemelk , maar dat is niet alles. Met name in hersenen worden vetzuren uit je voedsel ingebouwd. Maar dat is niet alles: er zijn aanwijzingen dat sommige onverzadigde vetzuren (3-omega-vetzuren) leiden tot beter werkende membranen in de hersenen, waardoor mensen minder agressief en minder depressief zouden worden. Vandaar het vaak gehoorde advies om vette vis te eten. Dezelfde vetzuren zouden ook effect hebben op de intelligentie (zie Blue Band I Q) maar dat lijkt toch vooral iets voor heel jonge kinderen te zijn (maar daar verkoopt Unilever niet genoeg margarine aan).
Verder blijken er ook stoffen te zijn die je niet echt nodig hebt, maar die je wel zouden beschermen tegen beschadigingen van je cellen. Dat zijn de anti-oxydanten, stoffen die reageren met de agressieve stoffen (meestal vrije radicalen genoemd) die in cellen ontstaan als bijproduct van de normale stofwisseling. Zodat het DNA van de cellen niet beschadigd wordt en er minder gauw kankercellen zouden ontstaan. Het zijn deze stoffen die zoveel blijken te zitten in groentes als broccoli en spruitjes. En overigens ook veel (gelukkig) in appels (maar niet in appelsap). Vandaar het moderne advies om toch vooral veel groentes te eten en ook fruit. Helaas is van specifieke groentes moeilijk te bewijzen dat ze echt beschermen tegen een bepaalde kwaal. Hoe vind je namelijk twee groepen van 100 mensen die even veel eten, roken, drinken, sporten, sex hebben enz maar alleen verschillen in wel of niet eens per week broccoli eten en dat minstens tien jaar lang.
Epidemiologie versus interventie
Let op: die moeilijkheid hoort speciaal bij epidemiologisch onderzoek. Als je interventie pleegt, is dat probleem er niet. Laat 1000 mensen meedoen, verdeel ze ad random in twee groepen, en laat de ene groep veel broccoli eten en verbied dat aan de andere groep. Maar dan is er een ander probleem: vind maar eens 1000 vrijwilligers die dat twintig jaar lang willen volhouden. En onderzoek naar stoffen waarvan je vermoedt dat ze schadelijk zijn (een bepaalde stof uit ontbijtkoek) kan niet omdat dat misdadig is. Zodat je vaak afhankelijk blijft van epidemiologisch onderzoek.
Uit een grootschalig, longitudinaal epidemiologisch onderzoek in New England (N.O. van de Verenigde Staten) kwam schokkend nieuws: er kon geen verband worden gevonden tussen voeding en kanker (wel heel duidelijk tussen voeding en hart- en vaatziekten).
Dit is een stukje over de opzet van dit onderzoek:
The Health Professionals Follow-Up Study (HPFS) began in 1986. The purpose of the study is to evaluate a series of hypotheses about men's health relating nutritional factors to the incidence of serious illnesses, such as cancer, heart disease, and other vascular diseases. This all-male study is designed to complement the all-female Nurses' Health Study, which examines similar hypotheses. The HPFS is sponsored by the Harvard School of Public Health and is funded by the National Heart, Lung, and Blood Institute and National Cancer Institute.
In the beginning, Walter Willett, Principal Investigator, Meir Stampfer, and colleagues enlisted 51,529 men in health professions to participate in the study. This group is composed of 29,683 dentists, 4,185 pharmacists, 3,745 optometrists, 2,220 osteopath physicians, 1,600 podiatrists, and 10,098 veterinarians. Among the study participants are 531 African-Americans and 877 Asian-Americans.
The researchers selected health professionals in the belief that men who chose these types of careers would be motivated and committed to participating in a long-term project and would appreciate the necessity of answering the survey questions accurately.
Every two years, members of the study receive questionnaires with questions about diseases and health-related topics like smoking, physical activity, and medications taken. The questionnaires that ask detailed dietary information are administered in four-year intervals.


Na een aanvankelijke storm van ontkenningen, krabbelen de onderzoekers die altijd geloofd hadden dat er wel een verband was, weer op. Ze menen nu dat dat verband er wel is voor heel speciale kankers, niet voor de veel voorkomende darmkanker dus. In interviews staat er dan meestal wel bij dat het maar weinig verschil in risico is. En dat het gaat om op zich al zeldzame kankersoorten.
Alcohol
Helaas voor geheelonthouders, maar bescheiden alcoholgebruik (tot ± 3 glazen per dag) is kennelijk goed voor oud worden. Maar of dat komt door de alcohol zelf of door het heilzame effect van even lekker ontspannen, is niet duidelijk. Dit effect is gevonden in grote, goed opgezette statistische onderzoeken. Het is ook een stuk makkelijker dan zo'n broccoli-onderzoek en bovendien weerspiegelt het de interesse van veel onderzoekers. Recent: een onderzoek aan vetzuchtige muizen. Normaal leven vetzuchtige muizen beduidend korter dan normale soortgenoten (er werd niet vergeleken met extra dunne muizen waarvan al jaren bekend is dat ze ouder worden dan normaal, maar die ook veel slomer zijn). Het bleek dat als je bij die vetzuchtige muizen een stof door het eten deed die uit rode wijn was gehaald, die dikke muizen net zo lang leefden als gewone muizen. Maar ze bleven wel dik. Een mens is geen muis en het betekent niet dat het bij mensen ook werkt, maar bovendien: het is de vraag of een oude dikkerd niet toch veel liever een normaal oud mens zou willen zijn.
Vragen
• Is het helemaal onzin om vitamines te eten?
• Waarom is vitamine E zo laat ontdekt?
• Waarom zou broccoli tegen kanker beschermen?
• Waarom is het effect van een voedingsmiddel op de gezondheid moeilijk te meten?
• Waarom is er een verband tussen het eten van vette vis en hersenontwikkeling?

de toekomst

De echte revolutie in gezondheid en levensverwachting dateert uit het eerste deel van de 20e eeuw: hygiene en betere voeding geven meer extra levensjaren dan zelfs de uitvinding van antibiotica.
Maar natuurlijk draagt het medisch handelen op dit moment veel bij aan aan de levensverwachting maar ook aan meer plezierige, menswaardige jaren.Aan de ene kant wacht ons wat dat betreft een zonnige toekomst: de techniek en betere medicatie kunnen een aantal kwalen behandelbaar maken of het leven leefbaarder maken. Zie de afgenomen sterfte (ondanks toegenomen vetzucht) aan hart- en vaatziekten en de sterk gestegen overlevingstijd voor veel kankersoorten.
Maar aan de andere kant lijken sommige infectieziekten een come-back te maken. Met name door de resistentie van allerlei bacterien. Veel antibiotica-gebruik (ook voor kwalen waarbij het toch niet hielp), te lage doses (vooral in de jaren dat antibiotica duur waren) en niet afgemaakte kuren (en antibiotica als groeibevorderaar in de intensieve veeteelt), hebben ervoor gezorgd dat er geheel resistente TBC-stammen zijn en heel veel ziekenhuis infecties met MRSA, De schatting is dat er jaarlijks 90000 amerikanen overlijden aan ziekenhuisinfecties en het merendeel daarvan is MRSA (onvoorstelbare cijfers, jils)
Zie ook www.mrsa-net.nl voor informatie (een erg brave website die heel weinig informatie geeft over soorten antibiotica of over de varkensvoer-connectie.

In een recent advies over MRSA-voorzorg en behandeling vond ik de volgende cijfers:

Door middel van EARSS (European Antimicrobial Resi-
stance Surveillance System) is een goede vergelijking te maken tussen landen.
Een beperking van de gegevens is dat in EARSS uitsluitend invasieve infecties
worden gevolgd, waarbij S. aureus uit bloed is gekweekt. De recentste gegevens
gaan over 2004, waarin meer dan 27.000 monsters van S. aureus bloedbaaninfec-
ties zijn geanalyseerd Daaruit blijkt dat in 2004 het aandeel MRSA in ver-
schillende landen varieerde van 0,5 procent (IJsland) tot 56,4 procent (Malta). In
Nederland was in 2004 het percentage MRSA-monsters 1,1 procent. Andere lan-
den met een percentage MRSA onder 2 procent waren Denemarken, Zweden en
Noorwegen. Landen met een aandeel MRSA boven 40 procent in 2004 waren het
Verenigd Koninkrijk, Malta, Griekenland, Portugal, Roemenië en Ierland. Bacte-
riemieën zijn het topje van de ijsberg, maar laten zien dat in Nederland het aan-
deel MRSA zeer laag is. Ook in onze buurlanden Duitsland en België was het
percentage MRSA veel hoger dan in Nederland, namelijk respectievelijk 19,4 en
33,3 procent. Omdat er grote verschillen zijn in het voorkomen van MRSA tus-
sen Nederland en onze buurlanden is er onderzoek gestart om MRSA te typeren
en de verspreiding ervan te volgen in het grensgebied.

Doe daar dan nieuwe ziektes bij die we te danken hebben aan globalisering of het broeikaseffect (West-Nijlvirus, Dengue, Aids) en het is duidelijk dat er hard moet worden gewerkt om de sterfte aan infectieziektes op een laag peil te houden
Een deel van de laatste ontwikkelingen is vooral van belang voor welvaartsziekten (diabetis-2, cholesterolproblemen) en verouderingsziekten (meeste kanker).
Inmiddels zijn daar ontwikkelingen die ervoor zorgen dat veel mensen weer meetbaar ouder worden. Met name de sterfte aan hart- en vaatziektes neemt duidelijk af, vooral door cholesterolverlagende medicijnen. En de overlevingskans bij veel kankersoorten gaat ook de goede kant op. Maar bedenk wel (en huiver) dat wij allen verplicht meebetalen (verplichte ziektekostenverzekering en AWBZ) aan nieuwe kostbare technieken die vaak slechts een bescheiden verlenging geven aan soms kwaliteitsarm leven. Waarbij een deel van de beroepsbeoefenaren vrijwel ongestraft wanprestaties levert, waarbij de indruk wordt gewekt van zakkenvullerij. De keus om uit eigen beweging gezond te leven (je zorgt dat je geen overgewicht krijgt, goede vetsoorten eet, niet rookt, bescheiden drinkt en vreemd mode-voedsel vermijdt) zodat het aantal jaren dat de meesten gegeven is (minstens iets in de zeventig) gehaald wordt zonder grote ingrepen of een beroep op medicatie en dat je dan niet mee hoeft te betalen aan al die medisch specialisten en ziekenhuizen (wel zelf sparen voor gebroken beenderen) wordt je nooit gegeven.

vrijdag 27 november 2009

vaccinaties

donderdag 8 oktober 2009
Voordat de infectietheorie van ziekte aanvaard was, lang voordat
bacterien en virussen bekend waren en heel lang voordat de werking van
ons immuunstelsel duidelijk was, bestond de eerste vaccinatie al.
Die eerste vaccinatie was gericht tegen de pokken. Pokken (variola)
werd beschouwd als een kinderziekte maar dan een waaraan ongeveer een
op de drie kinderen dood ging en waar een groot deel van de overlevers
levenslang de tekenen droegen (pokdalig, of een “pockmarked face”. Rond
1720 (ruim een eeuw voor Pasteur) was er veel discussie over het
varioleren van kinderen. Deze methode was in Engeland geintroduceerd
door Lady Montagu. Zij had een broertje verloren bij een pokkenepidemie
en had geruchten gehoord over een behandeling in het Midden-oosten die
kinderen tegen de pokken zou beschermen.
Haar man werd ambassadeur bij de sultan in Istanbul en aan het hof in
Istanbul werd inderdaad gevarioleerd. Men zocht op het platteland
iemand op die pokken had gehad maar inmiddels aan het genezen was. Pus
uit de pokken van dit persoon werd vervolgens bij jonge kinderen in de
arm geprikt met een naald waarna die kinderen een milde vorm van pokken
kregen. Een enkeling ging eraan dood, er waren er ook die pokdalig
werden, maar bij de meesten bleef de schade erg beperkt. Maar alle
kinderen waren daarna immuun bij nieuwe epidemieen. Lady Montagu liet
haar eigen kinderen varioleren en overtuigde ook velen uit de Engelse
adel ervan het risico te nemen. Dat had succes nadat er op last van het
Engelse hof was geexperimenteerd op gevangenen en weeskinderen. Die
allen herstelden.
Maar er was ook protest en onbehagen. Niet alleen bij dominees die
ziekte zagen als de hand van God, maar ook bij artsen want onder het
personeel dat de (vaak adelijke) zieke kinderen moest verzorgen, kwamen
ziektegevallen voor die ook wel slachtoffers eisten. En het varioleren
was ook niet geheel ongevaarlijk voor de gevarioleerden zelf: 2%
stierf eraan.
Een Engelse plattelandsarts, Jenner, was in zijn jeugd gevarioleerd en
was daar flink ziek van geweest. Hij hoorde van het verhaal dat
melkmeisjes soms een soort pokken kregen van de koeien die ze melkten,
maar dat ze nooit echte pokken kregen. Jenner deed een proef in 1796
met de zoon van zijn tuinman, die inderdaad niet ziek, maar wel immuun
werd. Een paar jaar later deed hij nog een experiment met vier
kinderen. Zijn artikel werd vertaald in alle Europese talen en vanaf
dat moment werd er op ruime schaal gevaccineerd (vaccinia is de naam
voor koeienpokken).
Met als groot succes het uitsterven van het variola-virus ( in 1977 iemand uit Somalie,het laatste ziektegeval wereldwijd).
Nu weten we hoe afweer werkt, met t- en b-lymfocyten en met
geheugencellen die blijven circuleren na een infectie. We weten ook dat
er een hele famiie van pokkenvirussen is, met allemaal een eigen
gastheer maar zo verwant dat antistoffen tegen een soort ook werkzaam
zijn tegen de andere pokkenvirussen. Jenner en lady Montagu wisten dat
allemaal niet, maar tijdens de verlichting (zeg 18e eeuw) was men wel
bereid om iets te proberen en was het geloof in het permanent ingrijpen
van het (of een) opperwezen duidelijk verminderd. Zodat het loonde om
ergens iets aan te doen.
Toen Pasteur en Koch de bacterien als ziekteverwekkers hadden
geidentificeerd, ontstonden ook andere vaccins, meestal op basis van
verzwakte, levende bacterien. Pasteur ging daar het woord Vaccin voor
gebruiken, als een soort eerbetoon aan Jenner.
Stel je overigens niet teveel voor van het beschermend vermogen van de
Pasteur-vaccins. En vaccins tegen virussen lieten nog wel een tijd op
zich wachten, ook al omdat virussen zich niet zo makkelijk lieten
kweken.
Later ontdekte men ook dat het afweertelsel het vaccin wel moet zien
als een serieuze bedreiging, anders maakt het te weinig antistoffen en
geheugencellen om voor immuniteit te zorgen. Dat geluk had Jenner
natuurlijk wel: vaccinia was een levend virus. Bovendien werd bij de
gevaccineerden de immuniteit op peil gehouden door toevallige
ontmoetingen (toen nog wel) met het variola-virus. Die noodzaak van
een vaccin dat serieus genomen werd, leidde ook tot de
combinatie-vaccins. Bij DKTP bijvoorbeeld zaten tot voor kort levende,
zeer zwakke kinkhoestbacterien samen met bacterie- en virus-brokken van
andere ziekteverwekkers. Die andere ziekteverwekkers liftten dus mee
met de levende bacterien als het ging om serieus-genomen worden.
Een belangrijk begrip bij vaccinaties is de herd-immunisation: als een
voldoende deel van de bevolking is ingeent, zijn de niet ingeente
personen toch beschermd omdat de ziekteverwekker hen niet kan bereiken.
In principe zou de ziekteverwekker kunnen uitsterven, maar dan moet je
het wereldwijd doen en er moet geen dierenreservoir zijn. Vandaar dat
het ministerie van Volksgezondheid goed bijhoudt hoe hoog de
vaccinatiegraad is. Waarbij het een nadeel is als de
niet-gevaccineerden in groepen leven: komt de ziekteverwekker zo’n
groep binnen, dan kunnen er meerdere slachtoffers vallen zoals het
geval was bij de twee laatste polio-epidemieen onder
extreem-gereformeerden op de Veluwe.
Een andere groep (dan de extreem-gereformeerden) die vaccinatie
afwijst, zijn de antroposofen. Zij geloven in het heilzame effect van
het doormaken van kinderziektes. Bij de polio-epidemieen werden zij
gespaard, wellicht omdat ze niet zo in groepsverband leven, wellicht
ook dat ze weinig extreem-gereformeerde kennissen hadden. Uit deze
kring komt de succesvolle vereniging kritisch prikken. Die een campagne
voert tegen vaccinaties, o.a. door posters in
vroedvrouwenpraktijkruimtes. En als je pech hebt op basisscholen.Zie
ook hun website nvkp.nl. Die regelmatig wordt aangepast zodat het weinig
zin heeft er uit te citeren. Let in het algemeen op het verspreiden van
angst en het onvolledig weergeven van de status van geciteerde
personen. Dus wel Professor Galema, maar nooit de universiteit waar hij
werkt of werkte.
Een belangrijk doelwit van de anti-vaccinatiecampagne is het
BMR-vaccin. Met als argument dat die ziektes geen kwaad doen (zeldzame
blindheid of prinses Christina daargelaten valt het inderdaad wel mee)
, maar ook de Engelse campagne waarin verband wordt gelegd tussen de
mazelen-component en autisme. Volgens een aantal artikelen een volledig
weerlegd argument, maar dat kan natuurlijk een complot zijn van
duivelse gezondheidsbedervers!
Het grote succes van de anti-vaccinatie is voorlopig de mislukking van
de campagne om meisjes voor de sex-leeftijd te vaccineren tegen
bepaalde vormen van het HPV. Let daarbij op het prachtige argument dat
het nog niet genoeg onderzocht is. Terwijl de ziektegevallen die
voorkomen moeten worden nog zeker twintig jaar van ons af liggen.
Vragen over vaccineren
1 : Wat wordt er bedoeld met een dierenreservoir en wat
is de beroemdste ziekte met een gigantisch dieren-reservoir?
2 Zou voldoende HPV-vaccinatie leiden tot het uitsterven van HPV? Waarom?
3 Waarom wordt aangeraden om als je op reis gaat naar risico-landen je
eens per 15 jaar te laten hervaccineren met DKTP?
4 Waarom was er pas zo laat een vaccin tegen hepatitis A?
5 Het grootste bezwaar tegen het varioleren van kinderen was het gevaar van besmetting door de gevarioleerde kinderen. Gold dat ook nog toen het vaccineren het varioleren had verdrongen?
6 Waarom hoeft niet iedereen gevaccineerd te worden om een ziekte te laten uitsterven?
7 Waarom was het een voordeel dat het DKTP-vaccin een levende component bevatte?
8 In de beginjaren van de poliovaccinatie werd gewerkt met levend, ongevaarlijk virus. In een inentingscampagne in Afrika bleek dat een bepaalde partij van dat vaccin polio te veroorzaken. Wat zal er dan gebeurd zijn?
9 Waarom zouden ouders tegenwoordig gevoeliger zijn voor anti-vaccinatiepropagande vanuit antroposofische kringen dan 30 jaar geleden?

infectieziektes

Iedereen weet inmiddels dat heel wat ziektes worden veroorzaakt doordat andere organismen in ons lichaam gaan leven. Meestal bacterien of virussen, soms een eencellig dier of zelfs wormpje. En begrijp goed: voordat de microscoop was uitgevonden was dat niet te onderzoeken en bijgevolg onbekend. Dus dacht men dat ook infectieziektes zouden veroorzaakt worden door iets met balans of door vieze lucht.
Besmetting door zieke personen was sommigen wel opgevallen, maar werd verbazend genoeg lang niet algemeen geloofd. Behalve tijdens pestepidemieen.
Toen de microscoop eenmaal was uitgevonden, duurde het nog geruime tijd voordat de bacterien (virussen zijn ook met een microscoop onzichtbaar) waren ontdekt als ziekteverwekker.
Van Leeuwenhoek was lakenhandelaar en amateur-microscoopbouwer en –onderzoeker. Hij beschreef eind 17e eeuw voor het eerst bacterien, maar legde geen verband met ziektes of bederf. Fascinerend genoeg is dat verband in de 150 jaar na zijn waarnemingen ook nooit gelegd, integendeel zelfs: er is in die tijd eigenlijk niet meer door microscopen gekeken. Op de arts-opleidingen op de universiteiten was men tevreden met aderlaten en met zichzelf en vond men microscopen nutteloos en onhandig.
Wel werd er regelmatig geopperd dat er ziektekiemen (zaden van ziektes)moesten bestaan en dat die je zouden besmetten.
Zo heeft de Engelsman Snow bij cholera-epidemieen in Londen (rond 1850) aangetoond dat er verband bestond tussen de drinkwaterput en de kans op cholerabesmetting. Zonder ooit een cholera-bacterie te hebben gezien. Zijn onderzoek geldt nu als het begin van de epidemiologie.
In die tijd deed men wel vaker toevallige ontdekkingen die nu, met moderne kennis, logisch zijn, maar destijds niet begrepen en vaak ook niet geloofd werden.
Beroemd is Ignaz Semmelweiss, arts in Wenen, rond 1860. Hij geloofde in de ziekmakende eigenschappen van een vieze geur en paste dat idee toe op de Weense kraamliniek waaar hij werkte. Medische studenten onderzochten pas bevallen vrouwen, terwijl ze net uit de lijken-snijzaal kwamen en daar nog duidelijk naar roken. Verplicht, langdurig handenwassen was niet populair onder medische studenten, maar bleek wel de sterfte aan kraamvrouwenkoorts (die daarvoor echt stuitend hoog was) sterk te verminderen. Ondanks duidelijke cijfers (gepubliceerd in the Lancet) werd Semmelweiss weggehoond, waarna hij zo emotioneel werd dat hij artsen voor moordenaars ging uitmaken. Hij is ontslagen en opgenomen in een inrichting voor geesteszieken. Daar is hij aan een wondinfectie overleden.
Uiteindelijk is het niet een arts of een bioloog geweest die het verband tusen bacterien, infectie en ziektes heeft aangetoond. Louis Pasteur was chemicus en onderzocht het bederf van wijn. Daarbij ontdekte hij de rol van bacterien (hij keek wel door de microscoop) en toen was het verband met ziektes snel gelegd. Pasteur demonstreerde ook dat rotting en bederf alleen plaats vond als er bacterien waren en dat die bacterien van buitenaf moesten komen, dat ze niet spontaan ontstonden in zoiets als een bouillon. Waardoor het mogelijk werd om iets te steriliseren of pasteuriseren.
Ongeveer in deze tijd begon de Engelse arts Lister met het kiemvrije opereren. Wonden werden ontsmet en er werden sterk ontsmettende stoffen verneveld in de operatiekamer. Maar Lister hield wel zijn gewone jas aan. Toch leidde deze maatregelen tot een sterke vermindering van de sterfte na operaties en dat door heel Europa, Lister had groot gezag en publiceerde zijn bevindingen.
De Duitse arts (een arts die wat ontdekt!) Koch kijkt dan heel goed door de microscoop, doet veel proeven met dieren en in het laboratorium. Hij ontdekt dat elke ziekte door een aparte bacteriesoort wordt veroorzaakt. Hij isoleert deze bacterien, kweekt ze en besmet dieren die dan de verwachte ziektes krijgen.
Virusziektes ontsnappen voorlopig nog aan het onderzoek omdat vrijwel alle virussen zo klein zijn dat ze onder de microscoop onzichtbaar blijven.
Ongeveer 1890 is de besmettingstheorie van ziektes wel zo ongeveer klaar. Realiseer je wel: heel nuttig voor hygiene, voor steriel opereren en inderdaad: de levensverwachting in Europa stijgt daarna spectulair. Maar: als iemand eenmaal ziek was, was er nog steeds niets aan te doen, gewoon wachten tot je weer beter wordt of dood gaat. Pas in 1943 (ruim vijftig jaar later dus) komt er een medicijn dat werkt: penicilline. Waarna de dreiging van bacterieziektes verdwenen is. Tot het moment dat de meeste bacterien resistent zijn (ongeveer nu).
Vragen over infecties:
1 Bedenk eens een waarneming die van Leeuwenhoek op het idee had kunnen brengen dat ziektes veroorzaakt worden door bacterien.
2 Waarom werd bij de artsopleidingen in de 18e eeuw niet door de microscoop gekeken?
3 Voor welk onderzoek keek Pasteur door een microscoop?
4 Waarom deed men voor de ontdekkingen van Pasteur niet aan hygiene tijdens operaties?
5 Semmelweiss was een emotionele man en een warhoofd. Waarom is dat jammer?
6 Hoe ontdekte Snow het verband tussen vervuild drinkwater en cholera? Waar was het bewijs?
7 Hoe is het verband tussen roken en longkanker ontdekt? Waarom verklaarden advocaten van sigarettenfabrikanten dat er geen bewijs was?
8 Waarom is cholera in landen met een normale gezondheidszorg geen probleem?
8

ziek of gezond

Een echt ANW onderwerp, en een waar nogal wat emoties bij vrij komen. Opgelet dus.
Gezond is meer dan alleen maar niet ziek. Er is een WHO-definitie van gezondheid die gaat over lichamelijk, geestelijk en sociaal welbevinden.
In ieder geval is je niet ziek voelen niet het criterium: patienten met een bipolaire aandoening (vroeger heette dat manisch depressief) voelen zich in een manische periode juist super-goed, maar zijn niet in staat om sociaal acceptabel te functioneren. Niet gezond dus.

Ziekte (en gezondheid) is uitgebreid onderwerp van wetenschappelijk onderzoek, maar het is wel een onderwerp waar mensen zich sterk bij betrokken voelen en dus is het bij uitstek een gebied waar iedereen een mening heeft, zelf conclusies trekt en waarover je ook de meeste tante-betje artikelen in tijdschriften en folders vindt, ook al omdat het een sector is waarin absurd veel geld omgaat.
Voor natuurwetenschappelijk onderzoek zijn die emoties vervelend, maar een andere handicap is dat het vaak om bescheiden aantallen gevallen gaat. En dat algemene uitspraken niet elk individueel geval recht hoeven te doen.
Vandaar ook een vakgebied als medische statistiek (ze rekenen uit hoe groot de kans is dat een bepaalde uitkomst op toeval berust) en epidemiologie (waar de patronen bij de verspreiding van aandoeningen worden vastgelegd , wat kan leiden tot een idee over de oorzaak van de kwaal, bijv. iets met drinkwater of zonlicht of zo).

Het bestuderen van ziektes vindt met name plaats aan universiteiten en het is ook daar dat de mensen worden opgeleid die die ziektes moeten bestrijden (artsen, veeartsen en apothekers dus). De soort geneeskunde die daar wordt onderwezen wordt vaak aangeduid als reguliere geneeskunde(ook wel gangbare of academische). Er zijn ook mensen die andere ideeen hebben en andere therapieen toepassen en dat noem je dan alternatieve geneeskunde. (kan je natuurlijk ook bestuderen op de universireit).
Het grote verschil (nu, niet altijd al ) zit in de manier om tot een uitspraak te komen: alternatief berust op openbaring of traditie. Er ligt vaak een idee aan ten grondslag over de aard van het ziekteproces, bijv iets met verstoorde harmonie of evenwicht. Reguliere geneeskunde heeft geen theorie alleen een onderzoeksmethode naar de effectiviteit van de therapie.
Klassiek voorbeeld: aspirine. Kruidenvrouwtjes bleken bij koorts vaak wilgenbast voor te schrijven. Wat doet een onderzoeker: geef 10 mensen met koorts wilgenbast, neem een thermometer en ga vergelijken met 10 koortslijders zonder wilgenbast. En, ja: het maakt uit, niet voor alle 10, maar genoeg om verder te onderzoeken. Dan pak je je scheikundedoos en je gaat op zoek naar het deel van de wilgenbast met de koortswerende eigenschappen. Die stof noem je salicylzuur omdat Salix de wetenschappelijke naam is van de wilg. Dan ga je ook nog kijken of je iets aan die stof kunt veranderen zodat het beter werkt. Dat lukte en toen had men acetylsalicylzuur. Dat werd op de markt gebracht als aspirine en ondanks de onangename bijwerkingen, werd dat een groot succes.Tot een jaar of 10 geleden wist men niet hoe aspirine werkte, maar omdat het duidelijk meetbaar was dat het werkte, werd het voorgeschreven . Inmiddels weet men het werkinsmechanisme overigens wel. En worden er nog steeds nieuwe toepassingen voor gevonden.

En dan de openbaring of de traditie: lang geleden werd er in Griekenland gedacht dat het universum (de wereld om ons heen, wij zelf, de sterrenhemel enz) was opgebouwd uit vier elementen: lucht, vuur water en steen. Niet dat dat kookboeken opleverde: neem een onsje steen, een beetje lucht, iets meer water en doe er wat vuur bij en kijk: een ijzeren pot. Maar toch: niet een echt raar idee, je kan je er wel iets bij voorstellen.
Toegepast op ziekte, gaf dat het idee dat die vier elementen in evenwicht moesten zijn en als je ziek was moest dat evenwicht hersteld worden door iets te onttrekken. Leuk bedacht, en dat leidde tot therapieen waarbij water werd onttrokken (laxeermiddelen) of slijm of bloed. Bloed was het vuur-element en dus bij koorts haal je er wat bloed uit. Aderlaten dus. Wat ze gedaan hebben tot zeker 1850. Zonder ooit te meten of het een voordeel was. Het heeft ongetwijfeld heel wat levens nog korter gemaakt.

Overigens dachten ze in China dat datzelfde universum was opgebouwd uit twee elementen die ze yin en yang noemden. Maar ook daarbij: ziekte is verstoord evenwicht en dat kan je herstellen. In China is nooit een microscoop uitgevonden, dus konden ze ook niet zoveel onderzoeken. Ze zijn ook gekomen met banen waardoor iets door het lichaam stroomde. Het begrip energie kenden ze ook niet (dat komt uit de 19e eeuw in Europa), ze prikten in die banen met naalden (acupunctuur)en werden daar beter van, of niet, en wellicht telden ze evenmin als de aderlaters in Europa.
Dat tellen bij onderzoek naar ziektes en therapieen ligt kennelijk minder voor de hand dan je zou denken. De eerste arts die geteld heeft om te weten welke behandeling het beste was, is een Fransman met de onmogelijke naam Pierre Charles Alexandre Louis. Hij werkte in een ziekenhuis in Marseille en publiceerde in 1835 een boek over de effectiviteit van aderlaten. Grappig is dat hij vroeg met laat aderlaten vergeleek, maar niet met niet-aderlaten. Er valt ook wel wat af te dingen op de groepen die hij vergeleek, maar, ach, het was een begin.
Nu wordt er bij de reguliere geneeskunde inmiddels altijd geteld en gemeten. Er is zelfs een term voor: evidence based medicine. Speciaal voor het testen van medicijnen is een standaard ontwikkeld: het dubbelblind onderzoek: patient en behandelaar weten geen van beide of het nieuwe medicijn wordt geslikt of een neppil: de placebo. De suggestie bij patient en genezer kan zo opgespoord worden. Heel bekend geworden is het placebo-effect: veel mensen reageren gunstig (minder klachten) zodra ze het gevoel hebben dat hun kwaal behandeld wordt. Vooral bij pijn en psychische klachten, bij een gebroken been helpt het niet.
Realiseer je alsjeblieft wel dat het onderzoek dubbel blind is. Vaak genoeg blijkt dat een onderzoeker die gelooft in een methode (of een nieuw medicijn ofzo) oprecht meent werking of verbetering te zien, terwijl dat door een buitenstaander niet waar te nemen is.
Vragen over ziek en gezond
1 Hoe kan je acupunctuur dubbelblind onderzoeken?
2 Wat is het verschil tussen homeopatische geneesmiddelen en Arnica-zalf van A. Vogel? Of is er geen verschil?
3 Mag de dokter een placebo voorschrijven als zij denkt dat er sprake is van een ingebeelde ziekte? Waarom?
4 Waarom overleefden veel patienten een aderlating? Wat zegt dat?