donderdag 22 december 2011

nog wat over voedsel

Mochten jullie nog tentamen moeten doen over voedsel en gezondheid, dan heb ik hier nog wat aanvullingen.
Over antioxydanten
Let op: die antioxydanten moeten reageren met allerlei agressieve stoffen die gevormd worden in levende cellen. Die agressieve stoffen hebben actieve zuurstofatomen die op hun beurt allerlei stoffen binnen de cel kunnen beschadigen.
Sommige cellen in je eigen lichaam maken trouwens nuttig gebruik van die agressieve stoffen: afweercellen produceren grote hoeveelheden van die agressieve stoffen en maken daarmee bijvoorbeeld bacterien dood. Maar voor de meeste cellen zijn die agressieve stoffen geen voordeel en ze worden dan ook zo snel mogelijk weer afgebroken.
Nu komt het: in de reageerbuis van onderzoekers blijken die agressieve stoffen in staat om DNA te beschadigen. En als je DNA, agressieve stoffen en antioxydanten in een reageerbuis stopt, blijkt dat die antioxydanten het DNA beschermen. Goed nieuws. Want beschadigd DNA kan kanker veroorzaken en dus zouden die antioxydanten in je lichaam, uit je voedsel, je tegen kanker beschermen. Helaas, in gezondheidsonderzoeken is daarvan niets terug te vinden. Zie deze blog. Met zelfs dit jaar een heel verontrustende publicatie: mensen die twintig jaar geleden voor een onderzoek een tijdlang extra vitamine E (een beroemde anti-oxydant) hadden geslikt, bleken nu, twintig jaar later, vaker kanker te hebben dan de andere proefpersonen die destijds de placebo hadden geslikt
Over epidemiolgisch onderzoek
Jullie weten het: epidemiologie begon met dat onderzoek aan cholera door Snow . gewoon kijken wie er ziek worden, waar ze wonwn, wat ze eten enz en daar een conclusie uit trekken. Leverde en levert veel kennis en soms ook inzicht op: MAAR: je hebt altijd het probleem dat je groepen vergelijkt die misschien ook in meer verschillen dan waar je naar kijkt. Dus die wijndrinkers die gemiddeld ook hoger opgeleid en rijker zijn dan de volwassen bierdrinkers. Als je een interventieonderzoek doet, laat je eerst de computer door toeval een grote groep mensen in twee groepen verdelen en laat je vervilgens die twee groepen iets anders eten of doen. Heel lastig als dat jarenlang gaat duren EN het mag niet met iets waarvan je verwacht dat het ongezond is. Ook heb je te maken met mensen die ophouden met het programma en dat kan best zijn doordat ze zich minder gezond voelen. Zodat de overblijvende groep veel te gezond wordt.
Over wijndrinken
De stof waarvan toen iik aan de blog begon, iets bekend begon te worden en die in druivenschillen (en dus in rode wijn) zit, heet resveratrol. En wordt nu veel te koop aangeboden in pilletjes. Kennelijk werkt die resveratrol ook bij mensen: het laat dikke mensen langer leven, namelijk (bijna) even lang als niet-dikke mensen. Maar ze blijven wel gewoon dik. En ook daarbij dus: als je kunt kiezen tussen een gezonde niet-dikkerd en een niet-ongezonde dikkerd, lijkt me dat niet een moeilijke keus.

vrijdag 15 oktober 2010

proef over het eerste pensum

Proef over de wetenschappelijke methode en over gezondheid

Lees na het beantwoorden je tekst nog eens door en vraag je af of er staat wat je bedoelt.

1 Een kruidenvrouwtje uit Kosovo meldt verbluffende genezingen van reuma met de wortelstokken van een plaatselijke bosplant. Je bent onderzoeker van een farmaceutische industrie. Welke stappen ga je zetten in het onderzoek ? Of wil je nix met kruidenvrouwtjes te maken hebben?
2 Het Nederlandse ministerie van volksgezondheid maakt zich ernstige zorgen over de vaccinatiegraad van de Nederlandse kinderen. Als die vaccinatiegraad voor BMR en DKTP net zo laag wordt als nu het geval is voor HPV (±60%), is dat een probleem. Welk probleem en voor wie?
3 Pasteur ontdekte rond 1850 dat de oorzaak van veel ziektes ligt in infectie met bacterien. Zijn ontdekking was de aanleiding tot een grote verbetering in de volksgezondheid. Waarom?
4 Probeer een onderzoek naar het nut van medisch ingrijpen te bedenken dat zelfs niet enkel-blind kan worden uitgevoerd. Wat is er trouwens dubbel aan dubbel-blind? Waarom is dat nodig?
5 Waarom is het publiceer-systeem in wetenschappelijke tijdschriften een groot voordeel voor het vorderen van wetenschappelijk onderzoek? Wat is peer-review?
6 Descartes geloofde sterk in puur denkwerk als middel om tot ware uitspraken te komen, hij moest niet veel hebben van waarnemingen. Hoe heet dat en wat zou het verband kunnen zijn met zijn wiskunde-studie?
7 Popper was niet erg populair bij het gelovige deel van de wetenschappers. Waarom, wat is de falsificeerbare uitspraak over het bestaan van een god of goden?
8 Iemand doet onderzoek naar drankgebruik en gezondheid en vindt dat wijndrinkers gezonder zijn dan bierdrinkers. Hij zegt daarom dat wijndrinken gezonder is dan bierdrinken. Wat is hij vergeten te onderzoeken?
9 Wat was de bijdrage van de Fransman Louis aan de moderne geneeskunde
10 Wat is resistentie en wat is het probleem met de MRSA, voor wie is dat gevaarlijk en waarom?

zondag 3 januari 2010

kennispunten voor het biologische deel van het eerste ANW tentamen

• Verschil tussen inductie en deductie
• Bijzondere plaats van wiskunde
• Eis van Popper aan een wetenschappelijke uitspraak: de falcificeerbaarheid
• Rol en belang van publiceren in wetenschappelijke tijdschriften
• Peer-review
• Openbaringen in de gezondheidsleer (dus Griekse 4 elementen, Chinese yin en yang, homeopathie)
• Tellen als onderzoeksmethode, aderlaten en Louis.
• Onderzoeksmethode bij universitaire geneeskunde (dubbelblind, evidence based, randomised trial)
• Gebruik van onbegrepen therapieen (ontdekking van asperine)
• Epidemiologisch onderzoeken (Snow)
• Ontdekking van bacterien (Van Leeuwenhoek)
Semmelweiss en de onbegrepen hygiene
Pasteur, de rol van micro-organismen bij bederf en ziekte en de begerpen rol van hygiene
Koch en de ontdekking van speciale ziekte-verwekkende bacteriesoorten
Lister en de kiemvrije operaties
• De onmogelijkheid om besmette personen te behandelen tot de komst van antibiotica
• Het vaccin van Jenner, het varioleren en de bezwaren ertegen (besmetting van omstanders), uitsterven van het pokkenvirus
• Andere vaccins van Pasteur en Koch en het gebrek aan effectiviteit
• Belang van levende component in een effectief vaccin en het gevaar daarvan (terugmuteren)
• Moderne vaccinangst en bezwaren tegen vaccinaties
• Herd-immunisation
• Vrije radicalen en anti-oxydanten en DNA-schade als oorzaak van kanker
• Vitamines, gebreksziektes en de gezondheidsclaims van overmaat vitamines
• Mineralen en het epidemiologische verband tussen melk drinken en botontkalking
• Kanker en gezond eten en de epidemiologische onderzoeken in de VS
• Alcohol en hart en vaatziektes
Verschil tussen interventieonderzoek en epidemiologisch onderzoek
Voorkomen en oorzaken van resistentie bij bacterien
• Moeizaamheid van epidemiologisch onderzoek naar het verband tussen ziektes en voeding of alcohol
• Vetzuren, mensenmelk, intelligentie, visolie enz.

woensdag 2 december 2009

wetenschappelijke methode

Een van de zaken waar ANW aandacht aan moet besteden is De Wetenschappelijke methode.
Het gaat er daar bij om hoe je uitspraken kan doen over de werkelijkheid en hoe je aan die uitspraken of theorien bent gekomen.
We gaan er meestal van uit dat de filosofie die zich bezighoudt met wat waar is en wat onwaar, voor het eerst tot ontwikkeling is gekomen in het oude Griekeland, zeg zo’n 350 jaar voor christus. Tot die tijd waren er elders en ook in Griekenland vooral speculaties over de rol van goden of geesten die constant bezig waren met het dood laten vallen van mussen , onweer maken of de zon op laten komen.
Over het algemeen onderscheidt men in het zoeken naar de waarheid inductie en deductie. Echte liefhebbers kunnen dat nog wel nakijken op Wikipedia maar het komt er op neer dat je bij inductie zoveel mogelijk waarneemt en dat je door die waarnemingen een algemene theorie vindt. Als je allemaal witte zwanen ziet en nooit een zwarte, geeft dat de uitspraak “alle zwanen zijn wit’. Ok, tot je een zwarte zwaan ziet.
Bij deductie gaat het meer om redeneren. Stellingen logisch combineren om tot nieuwe uitspraken te komen die, als het goed is, ook waar zijn.
Het klassieke voorbeeld van deductie is de wiskunde: een paar onbewijsbare stellingen die uit de ervaring komen (de kortste verbinding tussen twee punten is de rechte lijn), en verder doorredeneren tot je de hele wiskunde bij elkaar hebt.
Bedenk wel dat geen enkele Griekse filosoof ooit experimenten deed. Dat was handwerk en handwerk was voor arme sloebers en slaven en niet iets voor vaak hooggeboren Griekse filosofen.
In de filosofie geldt Aristoteles als kampioen van de inductie, Plato geldt dan als de kampioen van de deductie. Plato ontwierp hele wereldbeelden op basis van redeneren over absolute schoonheid of het ideale universum. Bijv het idee dat hemellichamen (maan, planeten) zich in perfecte cirkels bewegen kwam uit zo’n Plato-redenering.

Sommige latere filosofen hebben ook gedacht dat de hele wetenschap zo hoort te werken. Beroemd is de Fransman Descartes (1596-1650). Hij vond dat wetenschap altijd moest twijfelen, ook aan waarnemingen en alleen door redeneren(deductie dus) de waarheid kon bereiken. Overigens was hij ook de auteur van een Godsbewijs, maar veel moderne filosofen nemen aan dat hij dat deed om minder conflicten te hebben met dominees en pastoors. Dat werkte maar matig omdat die beroepsgroep meestal niets moet hebben van twijfel, die zijn toch meestal meer van de zekerheid.

In modernere tijden is er een zgn wetenschappelijke methode verzonnen die ervan uitgaat dat je eerst, na een aantal waarnemingen, een theorie moet maken , dat je dan een experiment moet ontwerpen waarbij je de theorie gebruikt om de uitkomst te voorspellen. Als de uitkomst niet klopt, herzie je de theorie waarna je een nieuw experiment ontwerpt enz. Misschien werkt zoiets wel een beetje bij de psychologie, maar in de natuurwetenschappen wordt natuurlijk regelmatig een theorie opgesteld nadat er al experimenten zijn gedaan, hoewel je dan die theorie meestal wel gaat testen met nieuwe experimenten.

Tenslotte iets over Karl Popper (1902-1994). Eerst in Wenen, later in Amerika bemoeide hij zich met wat echte wetenschap was en hoe je wetenschap kon onderscheiden van niet-wetenschap. Een theorie die wetenschappelijke waarde had, vond hij, moest falsificeerbaar zijn. Dat betekende dat je een experiment moest kunnen ontwerpen waar, bij een bepaalde uitkomst, uit zou blijken dat de theorie niet waar was. Als dat niet kon (een experiment ontwerpen), was de theorie waardeloos. Let op: dat falsificeerbaar zijn, betekent natuurlijk niet dat de theorie vals is, alleen dat het falsificeren denkbaar is. Mooi voorbeeld: kabouters bestaan is een onwetenschappelijke theorie omdat het nooit te bewijzen is dat dit niet waar is. Volgens een gelovige zoek je namelijk altijd op de verkeerde plaats. Kabouters bestaan niet is wel falsificeerbaar, namelijk door een kabouter te vangen. Met name Geschiedenis (maar ook psychoanalyse en evolutietheorie) vond hij maar nix. Er is daar immers nooit een controleerbare voorspelling mee te doen.

Wat niet in de Wetenschappelijke Methode uit de schoolboeken staat, maar wat wel van moeilijk te overschatten belang is voor de voortgang van de natuurwetenschappen is het publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Als iemend iets nieuws meent te hebben gevonden, schrijft zij of hij een artikel (volgens standaard format) en stuurt dat op naar een zo goed mogelijk wetenschappelijk tijdschrift. Met als top of the bill Nature of Science.
Nature (Engels)en Science(blad van de American Assocation for the Advancement of Science) zijn beide weekbladen en ze hebben beide een peer-review systeem (eigenlijk hebben alle wetenschappelijke tijdschriften dat): ze sturen het artikel eerst naar een aantal (3?) experts in het vakgebied die commentaar leveren op de onderzoeksmethode en aangeven of iets echt nieuw is of opgewarmde oude koek. In de publicatie staat uitgebreid hoe en met welke apparaten of chemicalien het onderzoek is gedaan. Zodat overal in de wereld het onderzoek kan worden nagedaan of kan dienen als uitgangspunt voor verder onderzoek.
Vragen om over na te denken: waarom zullen er spanningen zijn tussen de wetenschappelijke tijdschriften en de farmaceutische industrie, vooral over de verplichting tot het publiceren van de onderzoeksmethode?
Er is soms het verwijt dat onderzoek (vooral in de psychologie) waar onverwachte conclusies uit komen, moeilijk publiceerbaar is. Wat zou dat te maken hebben met de werkwijze van de tijdschriften?
Medische tijdschriften (top of the bill het Engelse The Lancet) hebben ingevoerd dat Wetenschappelijk Onderzoek bij hen moet worden aangemeld zodra het gestart is. Alleen tevoren aangemeld onderzoek kan gepubliceerd worden en het afbreken van een onderzoek zonder dat er een publicatie uitkomt, moet gemeld worden. Waarom zou dat zijn?

maandag 30 november 2009

voeding

De meeste mensen geloven dat er zoiets bestaat als gezond eten en veel mensen zeggen er dan bij dat ze dat niet doen. Met name groente en fruit hebben de reputatie gezond te zijn en dat hangt dan op de vitamines.
Vitamines
Vitamines zijn organische stoffen en dat betekent dat ze gemaakt zijn door iets levends, in de praktijk is dat vrijwel altijd een plant. Die stoffen zijn nodig in mensencellen en je kan die stoffen niet in je eigen lichaam maken, zodat je ze moet eten. Tot zover is het gewoon een kwestie van definities, maar wat zijn dat voor stoffen. En wat gebeurt er als je er te weinig van binnenkrijgt. Het gaat om een kleine twintig stoffen waarvan je kleine hoeveelheden nodig hebt. Ze zijn meestal ontdekt doordat er bepaalde gebreksziektes waren die verdwenen als iemand voedsel ging eten waar die vitamine inzat. Het verhaal van vitamine C is bekend: zeelieden tijdens lange scheepstochten kregen last van bloedingen (scheurbuik, heette dat) en dat ging over als ze weer aan land kwamen en fruit konden eten. Later bleek dezelfde stof ook in aardappelen en zuurkool te zitten, zodat de matrozen van de Engelse marine verplicht een keer per week zuurkool moesten eten (bleef lang goed aan boord). Na een tijdje ziektes onderzoeken waren er dus vitamines bekend die aangeduid werden met letters, soms met de letter B met een nummer (B 12, B 1 enz). Voor al deze vitamines werd bepaald hoeveel microgram je nodig hebt om gebreksziektes te vermijden en in welk voedingsmiddel ze zitten. Overigens zitten de meesten in zoiets platvloers als brood (ook wittebrood) of margarine, dus veel fruit eten is voor de meeste niet nodig.
Wat gebeurt er als je teveel vitamine eet (meer dan het minimum dat je nodig hebt)? Meestal gebeurt er niets, je plast het uit. Behalve, en dat is al lang bekend, bij vitamine A. Dat sla je op in je lever en die gaat daaraan kapot, soms zelfs met de dood als gevolg. Sinds een antal jaren krijgen zwangere vrouwen het klemmende advies om vitamine A te vermijden en bijvoorbeeld geen gebakken lever of paté te eten: veel vitamine A is niet goed voor embryo's.
Er wordt weleens een nieuwe vitamine ontdekt en dat zijn dan altijd stoffen waar voor die tijd geen gebreksziekte van bekend was, maar waarvan dan wordt gevonden dat er bij dieren met extreme diëten iets gebeurt. Daaraan hebben we vitamine E te danken. Ratten worden bij gebrek aan vitamine E onvruchtbaar. De stof zit in zoveel voedingsmiddelen dat mensen er nooit gebrek aan hebben en het misschien niet eens nodig hebben.
Dergelijk soort nieuwe stoffen vormen vaak het werkterrein van mensen met kwakzalver-achtige ideeën: moeheid zou dan veroorzaakt worden door gebrek aan vitamine E doordat mensen teveel bietsuiker eten of teveel witbrood of teveel bij McDonald's. Er is daar nooit een spoor van bewijs voor, het is meer een soort van gevoel. Er zijn ook mensen die beweren dat heel hoge doses van op zich ongevaarlijke vitamines (dus niet A) je extra gezond zouden maken of je weerstand zouden verhogen. Ook nooit bewezen, zelfs een aantal malen onderzocht zonder succes (vitamine C) maar zeer hardnekkig in het volksgeloof (bijvoorbeeld vitamine C en griep). Helaas is het volksgeloof zelfs niet helemaal gevaarloos, niet voor vitamine C, maar misschien wel voor andere. Zo is gebleken, bij ratten natuurlijk, dat hoge doses van vitamine E de ratten bepaald niet langer lieten leven. Integendeel. Er gingen er meer dood aan kanker dan in de controlegroep. Wellicht een reden om nooit erg te overdrijven met met vitamines verrijkt voedsel. Een speciale plaats wordt ingenomen door een van de B-vitamines die meestal wordt aangeduid met de stofnaam. Het is foliumzuur. Sinds een jaar of twintig is bekend dat gebrek een foliumzuur bij sommige mensen de kans op een kind met een open rug verhoogt. Vandaar speciale vitaminepillen met extra foliumzuur voor vrouwen die zwanger willen worden. Overigens maakt dat de kans op een kind met een open rug niet helemaal nul.
Al met al is er veel te doen over vitamines maar blijkt er bij beter onderzoek weinig aan de hand te zijn en is er vrijwel nooit reden om extra vitamines te nemen. Voornamelijk goed voor pillenhandelaren en wellicht zelfs ongezond in sommige gevallen.
Mineralen
Mineralen zijn geen vitamines maar je hebt ze wel nodig. Mineralen zijn namelijk niet-organisch. Ze zijn dus niet gemaakt maar komen voor in de grond, of niet. Planten halen ze er wel uit en dus komen we er vaak aan door planten te eten. Of door dierlijke producten te eten waarbij die dieren de mineralen voor ons verzameld hebben door veel planten te eten. Bij de mineralen horen een paar stoffen die goed onderzocht zijn en al lang bekend. Met name denk ik dan aan kalk, ijzer en jodium. Van alle drie komt gebrek voor met duidelijk herkenbare gebreksziektes (broze botten, bloedarmoede, struma). Toch is ook hier volgens sommige onderzoekers iets meer aan de hand: zo beweren een paar onderzoekers dat de zure urine die het gevolg is van het eten van veel dierlijk eiwit de belangrijkste oorzaak is van botontkalking en niet het gebrek aaan kalk in voedsel volgens de Nederlandse voedselnormen. Schokkend is in dit verband de samenhang tussen landen met veel melkconsumtie en met veel botontkalking. Juist in landen waar geen melk wordt gedronken (China, Thailand) komt nauwelijks botontkalking voor. Er is geen Nederlands schoolboek dat zoiets vermeldt en de schooldokter vraagt ook aan ouders of hun kotertjes wel genoeg melk drinken. Overigens zou een milde bloedarmoede een voordeel zijn als je echt oud wil worden.
Naast deze lang bekende mineralen, is er de laatste jaren ontdekt dat er heel wat elementen zijn waarvan je zo weinig nodig hebt dat er alleen in zeer bijzondere omstandigheden gebrek optreedt. Het gaat dan om elementen als koper, zink, seleen en molybdeen. Atomen daarvan blijken nodig om sommige enzymen te laten werken. Zinkgebrek bijvoorbeeld komt nooit voor in Europa omdat daar genoeg zink in de grond en dus in planten zit. De behoefte aan zink is ontdekt in het Andesgebergte waar geen zink in de grond zit en waar gebreksziektes voorkomen. Net als bij vitamines zijn ook mineralen erg populair bij genezers met onduidelijke achtergronden. Dus is in die kringen zinkgebrek een heel gebruikelijke diagnose, of het gebrek aan selenium, meestal ter verklaring van een kwaal als chronische vermoeidheid. Die dan nooit helemaal overgaat door een extra dosis zink of seleen.
Andere stoffen
Pasgeboren en ongeboren kinderen hebben wat speciale vetzuren nodig, die veel meer in mensenmelk zitten dan in koemelk Vandaar het gemeten voordeel op IQ-score van 8 punten voor 90% van de mensen bij mensenmelk i.p.v. bewerkte koemelk , maar dat is niet alles. Met name in hersenen worden vetzuren uit je voedsel ingebouwd. Maar dat is niet alles: er zijn aanwijzingen dat sommige onverzadigde vetzuren (3-omega-vetzuren) leiden tot beter werkende membranen in de hersenen, waardoor mensen minder agressief en minder depressief zouden worden. Vandaar het vaak gehoorde advies om vette vis te eten. Dezelfde vetzuren zouden ook effect hebben op de intelligentie (zie Blue Band I Q) maar dat lijkt toch vooral iets voor heel jonge kinderen te zijn (maar daar verkoopt Unilever niet genoeg margarine aan).
Verder blijken er ook stoffen te zijn die je niet echt nodig hebt, maar die je wel zouden beschermen tegen beschadigingen van je cellen. Dat zijn de anti-oxydanten, stoffen die reageren met de agressieve stoffen (meestal vrije radicalen genoemd) die in cellen ontstaan als bijproduct van de normale stofwisseling. Zodat het DNA van de cellen niet beschadigd wordt en er minder gauw kankercellen zouden ontstaan. Het zijn deze stoffen die zoveel blijken te zitten in groentes als broccoli en spruitjes. En overigens ook veel (gelukkig) in appels (maar niet in appelsap). Vandaar het moderne advies om toch vooral veel groentes te eten en ook fruit. Helaas is van specifieke groentes moeilijk te bewijzen dat ze echt beschermen tegen een bepaalde kwaal. Hoe vind je namelijk twee groepen van 100 mensen die even veel eten, roken, drinken, sporten, sex hebben enz maar alleen verschillen in wel of niet eens per week broccoli eten en dat minstens tien jaar lang.
Epidemiologie versus interventie
Let op: die moeilijkheid hoort speciaal bij epidemiologisch onderzoek. Als je interventie pleegt, is dat probleem er niet. Laat 1000 mensen meedoen, verdeel ze ad random in twee groepen, en laat de ene groep veel broccoli eten en verbied dat aan de andere groep. Maar dan is er een ander probleem: vind maar eens 1000 vrijwilligers die dat twintig jaar lang willen volhouden. En onderzoek naar stoffen waarvan je vermoedt dat ze schadelijk zijn (een bepaalde stof uit ontbijtkoek) kan niet omdat dat misdadig is. Zodat je vaak afhankelijk blijft van epidemiologisch onderzoek.
Uit een grootschalig, longitudinaal epidemiologisch onderzoek in New England (N.O. van de Verenigde Staten) kwam schokkend nieuws: er kon geen verband worden gevonden tussen voeding en kanker (wel heel duidelijk tussen voeding en hart- en vaatziekten).
Dit is een stukje over de opzet van dit onderzoek:
The Health Professionals Follow-Up Study (HPFS) began in 1986. The purpose of the study is to evaluate a series of hypotheses about men's health relating nutritional factors to the incidence of serious illnesses, such as cancer, heart disease, and other vascular diseases. This all-male study is designed to complement the all-female Nurses' Health Study, which examines similar hypotheses. The HPFS is sponsored by the Harvard School of Public Health and is funded by the National Heart, Lung, and Blood Institute and National Cancer Institute.
In the beginning, Walter Willett, Principal Investigator, Meir Stampfer, and colleagues enlisted 51,529 men in health professions to participate in the study. This group is composed of 29,683 dentists, 4,185 pharmacists, 3,745 optometrists, 2,220 osteopath physicians, 1,600 podiatrists, and 10,098 veterinarians. Among the study participants are 531 African-Americans and 877 Asian-Americans.
The researchers selected health professionals in the belief that men who chose these types of careers would be motivated and committed to participating in a long-term project and would appreciate the necessity of answering the survey questions accurately.
Every two years, members of the study receive questionnaires with questions about diseases and health-related topics like smoking, physical activity, and medications taken. The questionnaires that ask detailed dietary information are administered in four-year intervals.


Na een aanvankelijke storm van ontkenningen, krabbelen de onderzoekers die altijd geloofd hadden dat er wel een verband was, weer op. Ze menen nu dat dat verband er wel is voor heel speciale kankers, niet voor de veel voorkomende darmkanker dus. In interviews staat er dan meestal wel bij dat het maar weinig verschil in risico is. En dat het gaat om op zich al zeldzame kankersoorten.
Alcohol
Helaas voor geheelonthouders, maar bescheiden alcoholgebruik (tot ± 3 glazen per dag) is kennelijk goed voor oud worden. Maar of dat komt door de alcohol zelf of door het heilzame effect van even lekker ontspannen, is niet duidelijk. Dit effect is gevonden in grote, goed opgezette statistische onderzoeken. Het is ook een stuk makkelijker dan zo'n broccoli-onderzoek en bovendien weerspiegelt het de interesse van veel onderzoekers. Recent: een onderzoek aan vetzuchtige muizen. Normaal leven vetzuchtige muizen beduidend korter dan normale soortgenoten (er werd niet vergeleken met extra dunne muizen waarvan al jaren bekend is dat ze ouder worden dan normaal, maar die ook veel slomer zijn). Het bleek dat als je bij die vetzuchtige muizen een stof door het eten deed die uit rode wijn was gehaald, die dikke muizen net zo lang leefden als gewone muizen. Maar ze bleven wel dik. Een mens is geen muis en het betekent niet dat het bij mensen ook werkt, maar bovendien: het is de vraag of een oude dikkerd niet toch veel liever een normaal oud mens zou willen zijn.
Vragen
• Is het helemaal onzin om vitamines te eten?
• Waarom is vitamine E zo laat ontdekt?
• Waarom zou broccoli tegen kanker beschermen?
• Waarom is het effect van een voedingsmiddel op de gezondheid moeilijk te meten?
• Waarom is er een verband tussen het eten van vette vis en hersenontwikkeling?

de toekomst

De echte revolutie in gezondheid en levensverwachting dateert uit het eerste deel van de 20e eeuw: hygiene en betere voeding geven meer extra levensjaren dan zelfs de uitvinding van antibiotica.
Maar natuurlijk draagt het medisch handelen op dit moment veel bij aan aan de levensverwachting maar ook aan meer plezierige, menswaardige jaren.Aan de ene kant wacht ons wat dat betreft een zonnige toekomst: de techniek en betere medicatie kunnen een aantal kwalen behandelbaar maken of het leven leefbaarder maken. Zie de afgenomen sterfte (ondanks toegenomen vetzucht) aan hart- en vaatziekten en de sterk gestegen overlevingstijd voor veel kankersoorten.
Maar aan de andere kant lijken sommige infectieziekten een come-back te maken. Met name door de resistentie van allerlei bacterien. Veel antibiotica-gebruik (ook voor kwalen waarbij het toch niet hielp), te lage doses (vooral in de jaren dat antibiotica duur waren) en niet afgemaakte kuren (en antibiotica als groeibevorderaar in de intensieve veeteelt), hebben ervoor gezorgd dat er geheel resistente TBC-stammen zijn en heel veel ziekenhuis infecties met MRSA, De schatting is dat er jaarlijks 90000 amerikanen overlijden aan ziekenhuisinfecties en het merendeel daarvan is MRSA (onvoorstelbare cijfers, jils)
Zie ook www.mrsa-net.nl voor informatie (een erg brave website die heel weinig informatie geeft over soorten antibiotica of over de varkensvoer-connectie.

In een recent advies over MRSA-voorzorg en behandeling vond ik de volgende cijfers:

Door middel van EARSS (European Antimicrobial Resi-
stance Surveillance System) is een goede vergelijking te maken tussen landen.
Een beperking van de gegevens is dat in EARSS uitsluitend invasieve infecties
worden gevolgd, waarbij S. aureus uit bloed is gekweekt. De recentste gegevens
gaan over 2004, waarin meer dan 27.000 monsters van S. aureus bloedbaaninfec-
ties zijn geanalyseerd Daaruit blijkt dat in 2004 het aandeel MRSA in ver-
schillende landen varieerde van 0,5 procent (IJsland) tot 56,4 procent (Malta). In
Nederland was in 2004 het percentage MRSA-monsters 1,1 procent. Andere lan-
den met een percentage MRSA onder 2 procent waren Denemarken, Zweden en
Noorwegen. Landen met een aandeel MRSA boven 40 procent in 2004 waren het
Verenigd Koninkrijk, Malta, Griekenland, Portugal, Roemenië en Ierland. Bacte-
riemieën zijn het topje van de ijsberg, maar laten zien dat in Nederland het aan-
deel MRSA zeer laag is. Ook in onze buurlanden Duitsland en België was het
percentage MRSA veel hoger dan in Nederland, namelijk respectievelijk 19,4 en
33,3 procent. Omdat er grote verschillen zijn in het voorkomen van MRSA tus-
sen Nederland en onze buurlanden is er onderzoek gestart om MRSA te typeren
en de verspreiding ervan te volgen in het grensgebied.

Doe daar dan nieuwe ziektes bij die we te danken hebben aan globalisering of het broeikaseffect (West-Nijlvirus, Dengue, Aids) en het is duidelijk dat er hard moet worden gewerkt om de sterfte aan infectieziektes op een laag peil te houden
Een deel van de laatste ontwikkelingen is vooral van belang voor welvaartsziekten (diabetis-2, cholesterolproblemen) en verouderingsziekten (meeste kanker).
Inmiddels zijn daar ontwikkelingen die ervoor zorgen dat veel mensen weer meetbaar ouder worden. Met name de sterfte aan hart- en vaatziektes neemt duidelijk af, vooral door cholesterolverlagende medicijnen. En de overlevingskans bij veel kankersoorten gaat ook de goede kant op. Maar bedenk wel (en huiver) dat wij allen verplicht meebetalen (verplichte ziektekostenverzekering en AWBZ) aan nieuwe kostbare technieken die vaak slechts een bescheiden verlenging geven aan soms kwaliteitsarm leven. Waarbij een deel van de beroepsbeoefenaren vrijwel ongestraft wanprestaties levert, waarbij de indruk wordt gewekt van zakkenvullerij. De keus om uit eigen beweging gezond te leven (je zorgt dat je geen overgewicht krijgt, goede vetsoorten eet, niet rookt, bescheiden drinkt en vreemd mode-voedsel vermijdt) zodat het aantal jaren dat de meesten gegeven is (minstens iets in de zeventig) gehaald wordt zonder grote ingrepen of een beroep op medicatie en dat je dan niet mee hoeft te betalen aan al die medisch specialisten en ziekenhuizen (wel zelf sparen voor gebroken beenderen) wordt je nooit gegeven.

vrijdag 27 november 2009

vaccinaties

donderdag 8 oktober 2009
Voordat de infectietheorie van ziekte aanvaard was, lang voordat
bacterien en virussen bekend waren en heel lang voordat de werking van
ons immuunstelsel duidelijk was, bestond de eerste vaccinatie al.
Die eerste vaccinatie was gericht tegen de pokken. Pokken (variola)
werd beschouwd als een kinderziekte maar dan een waaraan ongeveer een
op de drie kinderen dood ging en waar een groot deel van de overlevers
levenslang de tekenen droegen (pokdalig, of een “pockmarked face”. Rond
1720 (ruim een eeuw voor Pasteur) was er veel discussie over het
varioleren van kinderen. Deze methode was in Engeland geintroduceerd
door Lady Montagu. Zij had een broertje verloren bij een pokkenepidemie
en had geruchten gehoord over een behandeling in het Midden-oosten die
kinderen tegen de pokken zou beschermen.
Haar man werd ambassadeur bij de sultan in Istanbul en aan het hof in
Istanbul werd inderdaad gevarioleerd. Men zocht op het platteland
iemand op die pokken had gehad maar inmiddels aan het genezen was. Pus
uit de pokken van dit persoon werd vervolgens bij jonge kinderen in de
arm geprikt met een naald waarna die kinderen een milde vorm van pokken
kregen. Een enkeling ging eraan dood, er waren er ook die pokdalig
werden, maar bij de meesten bleef de schade erg beperkt. Maar alle
kinderen waren daarna immuun bij nieuwe epidemieen. Lady Montagu liet
haar eigen kinderen varioleren en overtuigde ook velen uit de Engelse
adel ervan het risico te nemen. Dat had succes nadat er op last van het
Engelse hof was geexperimenteerd op gevangenen en weeskinderen. Die
allen herstelden.
Maar er was ook protest en onbehagen. Niet alleen bij dominees die
ziekte zagen als de hand van God, maar ook bij artsen want onder het
personeel dat de (vaak adelijke) zieke kinderen moest verzorgen, kwamen
ziektegevallen voor die ook wel slachtoffers eisten. En het varioleren
was ook niet geheel ongevaarlijk voor de gevarioleerden zelf: 2%
stierf eraan.
Een Engelse plattelandsarts, Jenner, was in zijn jeugd gevarioleerd en
was daar flink ziek van geweest. Hij hoorde van het verhaal dat
melkmeisjes soms een soort pokken kregen van de koeien die ze melkten,
maar dat ze nooit echte pokken kregen. Jenner deed een proef in 1796
met de zoon van zijn tuinman, die inderdaad niet ziek, maar wel immuun
werd. Een paar jaar later deed hij nog een experiment met vier
kinderen. Zijn artikel werd vertaald in alle Europese talen en vanaf
dat moment werd er op ruime schaal gevaccineerd (vaccinia is de naam
voor koeienpokken).
Met als groot succes het uitsterven van het variola-virus ( in 1977 iemand uit Somalie,het laatste ziektegeval wereldwijd).
Nu weten we hoe afweer werkt, met t- en b-lymfocyten en met
geheugencellen die blijven circuleren na een infectie. We weten ook dat
er een hele famiie van pokkenvirussen is, met allemaal een eigen
gastheer maar zo verwant dat antistoffen tegen een soort ook werkzaam
zijn tegen de andere pokkenvirussen. Jenner en lady Montagu wisten dat
allemaal niet, maar tijdens de verlichting (zeg 18e eeuw) was men wel
bereid om iets te proberen en was het geloof in het permanent ingrijpen
van het (of een) opperwezen duidelijk verminderd. Zodat het loonde om
ergens iets aan te doen.
Toen Pasteur en Koch de bacterien als ziekteverwekkers hadden
geidentificeerd, ontstonden ook andere vaccins, meestal op basis van
verzwakte, levende bacterien. Pasteur ging daar het woord Vaccin voor
gebruiken, als een soort eerbetoon aan Jenner.
Stel je overigens niet teveel voor van het beschermend vermogen van de
Pasteur-vaccins. En vaccins tegen virussen lieten nog wel een tijd op
zich wachten, ook al omdat virussen zich niet zo makkelijk lieten
kweken.
Later ontdekte men ook dat het afweertelsel het vaccin wel moet zien
als een serieuze bedreiging, anders maakt het te weinig antistoffen en
geheugencellen om voor immuniteit te zorgen. Dat geluk had Jenner
natuurlijk wel: vaccinia was een levend virus. Bovendien werd bij de
gevaccineerden de immuniteit op peil gehouden door toevallige
ontmoetingen (toen nog wel) met het variola-virus. Die noodzaak van
een vaccin dat serieus genomen werd, leidde ook tot de
combinatie-vaccins. Bij DKTP bijvoorbeeld zaten tot voor kort levende,
zeer zwakke kinkhoestbacterien samen met bacterie- en virus-brokken van
andere ziekteverwekkers. Die andere ziekteverwekkers liftten dus mee
met de levende bacterien als het ging om serieus-genomen worden.
Een belangrijk begrip bij vaccinaties is de herd-immunisation: als een
voldoende deel van de bevolking is ingeent, zijn de niet ingeente
personen toch beschermd omdat de ziekteverwekker hen niet kan bereiken.
In principe zou de ziekteverwekker kunnen uitsterven, maar dan moet je
het wereldwijd doen en er moet geen dierenreservoir zijn. Vandaar dat
het ministerie van Volksgezondheid goed bijhoudt hoe hoog de
vaccinatiegraad is. Waarbij het een nadeel is als de
niet-gevaccineerden in groepen leven: komt de ziekteverwekker zo’n
groep binnen, dan kunnen er meerdere slachtoffers vallen zoals het
geval was bij de twee laatste polio-epidemieen onder
extreem-gereformeerden op de Veluwe.
Een andere groep (dan de extreem-gereformeerden) die vaccinatie
afwijst, zijn de antroposofen. Zij geloven in het heilzame effect van
het doormaken van kinderziektes. Bij de polio-epidemieen werden zij
gespaard, wellicht omdat ze niet zo in groepsverband leven, wellicht
ook dat ze weinig extreem-gereformeerde kennissen hadden. Uit deze
kring komt de succesvolle vereniging kritisch prikken. Die een campagne
voert tegen vaccinaties, o.a. door posters in
vroedvrouwenpraktijkruimtes. En als je pech hebt op basisscholen.Zie
ook hun website nvkp.nl. Die regelmatig wordt aangepast zodat het weinig
zin heeft er uit te citeren. Let in het algemeen op het verspreiden van
angst en het onvolledig weergeven van de status van geciteerde
personen. Dus wel Professor Galema, maar nooit de universiteit waar hij
werkt of werkte.
Een belangrijk doelwit van de anti-vaccinatiecampagne is het
BMR-vaccin. Met als argument dat die ziektes geen kwaad doen (zeldzame
blindheid of prinses Christina daargelaten valt het inderdaad wel mee)
, maar ook de Engelse campagne waarin verband wordt gelegd tussen de
mazelen-component en autisme. Volgens een aantal artikelen een volledig
weerlegd argument, maar dat kan natuurlijk een complot zijn van
duivelse gezondheidsbedervers!
Het grote succes van de anti-vaccinatie is voorlopig de mislukking van
de campagne om meisjes voor de sex-leeftijd te vaccineren tegen
bepaalde vormen van het HPV. Let daarbij op het prachtige argument dat
het nog niet genoeg onderzocht is. Terwijl de ziektegevallen die
voorkomen moeten worden nog zeker twintig jaar van ons af liggen.
Vragen over vaccineren
1 : Wat wordt er bedoeld met een dierenreservoir en wat
is de beroemdste ziekte met een gigantisch dieren-reservoir?
2 Zou voldoende HPV-vaccinatie leiden tot het uitsterven van HPV? Waarom?
3 Waarom wordt aangeraden om als je op reis gaat naar risico-landen je
eens per 15 jaar te laten hervaccineren met DKTP?
4 Waarom was er pas zo laat een vaccin tegen hepatitis A?
5 Het grootste bezwaar tegen het varioleren van kinderen was het gevaar van besmetting door de gevarioleerde kinderen. Gold dat ook nog toen het vaccineren het varioleren had verdrongen?
6 Waarom hoeft niet iedereen gevaccineerd te worden om een ziekte te laten uitsterven?
7 Waarom was het een voordeel dat het DKTP-vaccin een levende component bevatte?
8 In de beginjaren van de poliovaccinatie werd gewerkt met levend, ongevaarlijk virus. In een inentingscampagne in Afrika bleek dat een bepaalde partij van dat vaccin polio te veroorzaken. Wat zal er dan gebeurd zijn?
9 Waarom zouden ouders tegenwoordig gevoeliger zijn voor anti-vaccinatiepropagande vanuit antroposofische kringen dan 30 jaar geleden?