Een van de zaken waar ANW aandacht aan moet besteden is De Wetenschappelijke methode.
Het gaat er daar bij om hoe je uitspraken kan doen over de werkelijkheid en hoe je aan die uitspraken of theorien bent gekomen.
We gaan er meestal van uit dat de filosofie die zich bezighoudt met wat waar is en wat onwaar, voor het eerst tot ontwikkeling is gekomen in het oude Griekeland, zeg zo’n 350 jaar voor christus. Tot die tijd waren er elders en ook in Griekenland vooral speculaties over de rol van goden of geesten die constant bezig waren met het dood laten vallen van mussen , onweer maken of de zon op laten komen.
Over het algemeen onderscheidt men in het zoeken naar de waarheid inductie en deductie. Echte liefhebbers kunnen dat nog wel nakijken op Wikipedia maar het komt er op neer dat je bij inductie zoveel mogelijk waarneemt en dat je door die waarnemingen een algemene theorie vindt. Als je allemaal witte zwanen ziet en nooit een zwarte, geeft dat de uitspraak “alle zwanen zijn wit’. Ok, tot je een zwarte zwaan ziet.
Bij deductie gaat het meer om redeneren. Stellingen logisch combineren om tot nieuwe uitspraken te komen die, als het goed is, ook waar zijn.
Het klassieke voorbeeld van deductie is de wiskunde: een paar onbewijsbare stellingen die uit de ervaring komen (de kortste verbinding tussen twee punten is de rechte lijn), en verder doorredeneren tot je de hele wiskunde bij elkaar hebt.
Bedenk wel dat geen enkele Griekse filosoof ooit experimenten deed. Dat was handwerk en handwerk was voor arme sloebers en slaven en niet iets voor vaak hooggeboren Griekse filosofen.
In de filosofie geldt Aristoteles als kampioen van de inductie, Plato geldt dan als de kampioen van de deductie. Plato ontwierp hele wereldbeelden op basis van redeneren over absolute schoonheid of het ideale universum. Bijv het idee dat hemellichamen (maan, planeten) zich in perfecte cirkels bewegen kwam uit zo’n Plato-redenering.
Sommige latere filosofen hebben ook gedacht dat de hele wetenschap zo hoort te werken. Beroemd is de Fransman Descartes (1596-1650). Hij vond dat wetenschap altijd moest twijfelen, ook aan waarnemingen en alleen door redeneren(deductie dus) de waarheid kon bereiken. Overigens was hij ook de auteur van een Godsbewijs, maar veel moderne filosofen nemen aan dat hij dat deed om minder conflicten te hebben met dominees en pastoors. Dat werkte maar matig omdat die beroepsgroep meestal niets moet hebben van twijfel, die zijn toch meestal meer van de zekerheid.
In modernere tijden is er een zgn wetenschappelijke methode verzonnen die ervan uitgaat dat je eerst, na een aantal waarnemingen, een theorie moet maken , dat je dan een experiment moet ontwerpen waarbij je de theorie gebruikt om de uitkomst te voorspellen. Als de uitkomst niet klopt, herzie je de theorie waarna je een nieuw experiment ontwerpt enz. Misschien werkt zoiets wel een beetje bij de psychologie, maar in de natuurwetenschappen wordt natuurlijk regelmatig een theorie opgesteld nadat er al experimenten zijn gedaan, hoewel je dan die theorie meestal wel gaat testen met nieuwe experimenten.
Tenslotte iets over Karl Popper (1902-1994). Eerst in Wenen, later in Amerika bemoeide hij zich met wat echte wetenschap was en hoe je wetenschap kon onderscheiden van niet-wetenschap. Een theorie die wetenschappelijke waarde had, vond hij, moest falsificeerbaar zijn. Dat betekende dat je een experiment moest kunnen ontwerpen waar, bij een bepaalde uitkomst, uit zou blijken dat de theorie niet waar was. Als dat niet kon (een experiment ontwerpen), was de theorie waardeloos. Let op: dat falsificeerbaar zijn, betekent natuurlijk niet dat de theorie vals is, alleen dat het falsificeren denkbaar is. Mooi voorbeeld: kabouters bestaan is een onwetenschappelijke theorie omdat het nooit te bewijzen is dat dit niet waar is. Volgens een gelovige zoek je namelijk altijd op de verkeerde plaats. Kabouters bestaan niet is wel falsificeerbaar, namelijk door een kabouter te vangen. Met name Geschiedenis (maar ook psychoanalyse en evolutietheorie) vond hij maar nix. Er is daar immers nooit een controleerbare voorspelling mee te doen.
Wat niet in de Wetenschappelijke Methode uit de schoolboeken staat, maar wat wel van moeilijk te overschatten belang is voor de voortgang van de natuurwetenschappen is het publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Als iemend iets nieuws meent te hebben gevonden, schrijft zij of hij een artikel (volgens standaard format) en stuurt dat op naar een zo goed mogelijk wetenschappelijk tijdschrift. Met als top of the bill Nature of Science.
Nature (Engels)en Science(blad van de American Assocation for the Advancement of Science) zijn beide weekbladen en ze hebben beide een peer-review systeem (eigenlijk hebben alle wetenschappelijke tijdschriften dat): ze sturen het artikel eerst naar een aantal (3?) experts in het vakgebied die commentaar leveren op de onderzoeksmethode en aangeven of iets echt nieuw is of opgewarmde oude koek. In de publicatie staat uitgebreid hoe en met welke apparaten of chemicalien het onderzoek is gedaan. Zodat overal in de wereld het onderzoek kan worden nagedaan of kan dienen als uitgangspunt voor verder onderzoek.
Vragen om over na te denken: waarom zullen er spanningen zijn tussen de wetenschappelijke tijdschriften en de farmaceutische industrie, vooral over de verplichting tot het publiceren van de onderzoeksmethode?
Er is soms het verwijt dat onderzoek (vooral in de psychologie) waar onverwachte conclusies uit komen, moeilijk publiceerbaar is. Wat zou dat te maken hebben met de werkwijze van de tijdschriften?
Medische tijdschriften (top of the bill het Engelse The Lancet) hebben ingevoerd dat Wetenschappelijk Onderzoek bij hen moet worden aangemeld zodra het gestart is. Alleen tevoren aangemeld onderzoek kan gepubliceerd worden en het afbreken van een onderzoek zonder dat er een publicatie uitkomt, moet gemeld worden. Waarom zou dat zijn?
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten